Peter Eijgenhuijsen: “Ik wist onmiddellijk dat ik een geestverwant had gevonden.”

Toen ik in de jaren zestig in Amsterdam-West de lagere school bezocht was God ver weg. Niemand in mijn omgeving ging naar de kerk of geloofde in God. Het was een tijd van opbouw en optimisme. Uit de radio klonk spannende, vernieuwende muziek. Bij familie en vrienden gingen de interieurs op de schop. Oude zware meubelen werden vervangen door lichte ontwerpen in ‘hippe’ kleuren als oranje en paars. Geloof bestond nog wel, wist ik, op andere plaatsen, maar het zou naar mijn overtuiging niet lang duren of ook daar zou het plaats maken voor de vooruitgang.

Halverwege de middelbare school, we waren inmiddels in de jaren zeventig aanbeland, mocht ik na lang zeuren met een vriend een weekje kamperen op de Veluwe. Het avontuur lonkte. Op de fiets, met een oude, veel te zware zespersoons tent achterop, vertrokken we via een tussenstop naar Putten. Daar bleek het avontuur ver weg en het weer regenachtig. Het enige vertier, daar kwamen we na een paar dagen achter, bevond zich in een evangelisatietent waar vlotte jongens en meisjes van begin twintig allerlei leuke dingen organiseerden. Al gauw waren wij daar kind aan huis. Dat er af en toe over God gepraat werd deerde ons niet. De pret en de gezelligheid overheersten. Toen de week om was en we afscheid namen, kregen we allebei een bijbel mee, met het verzoek om het evangelie van Johannes te lezen en daarover met hen te corresponderen. Mijn moeder keek verbaasd op toen ze een bijbel aantrof tussen mijn vuile was. Ze had van alles verwacht, maar niet dit.

Mijn vriend heeft de pen nooit ter hand genomen, maar ik ben daadwerkelijk een religieuze briefwisseling gestart. Lang heeft die niet geduurd. De gezelligheid was weg en de belangstelling voor het evangelie beperkt.

In de jaren tachtig, toen ik mijn vrouw ontmoette, kwam ik opnieuw in aanraking met religie. Mijn vrouw is katholiek en nam mij op hoogtijdagen mee naar de kerk. Ik bekeek alles welwillend en dacht: die kerk is zo gek nog niet. En was mijn favoriete schrijver Gerard Reve ook niet katholiek geworden?

Toen we na een paar jaar voor mijn werk naar België verhuisden, bleek dat daar het geloof en veel belangrijker plaats innam dan in het Amsterdam-West van mijn jeugd. Toegegeven, veel buren en collega’s gingen niet wekelijks naar de kerk en de kerk speelde vooral een belangrijke rol bij heilige communies, huwelijken en begrafenissen, maar die rol was niet weg te denken en stond niet ter discussie.

Veel van mijn Amerikaanse collega’s – ik werkte voor een Amerikaanse multinational – waren wel praktiserend gelovig en toen mijn Amerikaanse leidinggevende mij het boek The Case for Christ van Lee Strobel stuurde, begreep ik dat ik mijn stelling, dat het geloof op zijn laatste benen liep, moest bijstellen.

Intussen was mijn mening over de katholieke kerk aan het veranderen. Mijn welwillende houding maakte plaats voor irritatie. Elke keer dat ik een preek hoorde, ook al was dat gelukkig niet zo vaak, ergerde ik mij aan de Bijbelse boodschap, bijvoorbeeld wanneer onze zonden weer eens voorbij kwamen.

Beeld: Vera Galis

Mijn houding veranderde definitief toen mijn schoonvader zijn laatste oliesel ontving in de kapel van een lokaal ziekenhuis. Dat is op zich een mooi ritueel om je samen met je familie voor te bereiden op het naderende einde. Maar in die tijd, we zijn inmiddels eind jaren negentig, waren priesters al zeer schaars en had men met veel moeite een bejaarde pastoor – Gerard Reve zou zeggen: een oude regenmaker – gevonden in een naburige stad. Deze priester, zo bleek, had slechts één goed oog. Hij liep van bed naar rolstoel, legde zijn hand op het hoofd van een zich in de laatste levensfase bevindende gelovige, bracht met zijn andere hand een lijstje met daarop de uit te spreken tekst voor zijn goede oog en las die, het lijstje heen en weer bewegend, voor. De tekst was niet langer dan een paar korte regels. Ik dacht: had je die niet uit je hoofd kunnen leren? Wat een aanfluiting! Ik was er in één keer helemaal klaar mee.

Geloof was voor mij dus niet de oplossing, daar was ik nu wel achter. Langzaam ontwikkelde ik het idee dat we de oplossing moeten zoeken in de natuur, in wat we om ons heen zien. Wij mensen zijn dieren in de natuur. Dieren die zich een bijzondere plek in de natuur hebben toegeëigend, dat wel, maar verder dieren als alle andere. We moeten, zo dacht ik, accepteren dat we deel uitmaken van de natuur en dat onze plaats daarin beperkter is dan we vaak denken. We moeten proberen in harmonie te leven met die natuur.

Het was in deze fase van mijn ontwikkeling dat ik bij de vpro-gids een bijlage aantrof van het Humanistisch Verbond. Dat is verder niet van belang, maar in die bijlage stond een kort artikel over Spinoza. Ik las het en wist onmiddellijk dat ik een geestverwant had gevonden. Het was een schok van herkenning. Wat ik zo moeizaam had ontdekt stond in dat artikel helder verwoord. Voor het eerst had ik het gevoel dat ik ergens bij hoorde. Toen ik me later in Spinoza verdiepte, bleek dat hij me in zijn denken veel verder meenam dan ik ooit had kunnen vermoeden, maar dat zijn denken wél logisch voortbouwde op mijn eigen inzichten.

Veel spinozisten die ik spreek hebben een vergelijkbare schok van herkenning meegemaakt. Het is blijkbaar vaak zo dat je, wanneer je Spinoza bestudeert, niet bij nul begint, maar vanuit een gevoel van verwantschap. Spinoza sluit aan bij wat je al weet en helpt je je kennis te verdiepen en jezelf, je omgeving en de natuur beter te begrijpen.

Het is interessant om te weten welke ontwikkeling Spinoza zelf heeft doorgemaakt. Hoe de gebeurtenissen in zijn leven en de mensen die hij heeft ontmoet zijn denken hebben beïnvloed. Hoe hij zich heeft ontwikkeld tot de denker die ons nu nog inspireert.

 

 

De weg van Spinoza. Een kleine inleiding. p. 83-86.

 

Peter Eijgenhuijsen is actief lid van Vereniging Het Spinozahuis, organiseert cursussen en redigeert boeken over Spinoza. Hij publiceerde eerder een boek over The Beatles en verhalen in literaire tijdschriften.