Jan Feith (1874-1944)
€ 34,90
Jan Feith had vele gezichten: zwart schaap én familieman. Spits van de landskampioen en crack op de wielerbaan. High school dropout en gesjeesd kantoorklerk. Sterreporter mét literaire aspiraties. Globetrotter en trekschuitreiziger. Toneelschrijver en acteur. Tafelheer bij een PEN-congres en uithangbord van de eerste Miss Holland-verkiezing. Misdaadverslaggever, met een neus voor sentiment. Voorvechter van poppenkast en cinema. Aanjager én criticus van het massatoerisme. En: Elfstedenrijder zonder kruisje.
Jan Feith maakte als journalist de opkomst van de moderne massacultuur in Nederland mee. Hij duidde deze grote verandering voor een behoudzuchtige elite die in de negentiende eeuw was blijven hangen. In die cultuur was hij opgegroeid – net als zijn lezerspubliek – en daar vond hij aanknopingspunten voor een geruststellende weergave van de netelige moderniteit. Deze biografie dompelt de lezer onder in de oorsprong van onze alledaagse wereld van massamobiliteit, beeldcultuur, sport, toerisme, massapers en de ‘moderne’ vrouw.
Historicus Daniël Rewijk (Den Helder, 1975) publiceerde eerder een biografie van Pim Mulier (2015) en een kinderboek over Jaap Eden (2018).
Gerelateerde boeken
-
-
-
Rijk, maar niet in geld
€ 49,95Rijk, maar niet in geld vertelt het verhaal van twee opeenvolgende Friese uitgevers, Kamminga en Laverman, tegen de achtergrond van de intellectualisering van het Fries tussen 1920 en 1970. Deze periode is achteraf beschouwd de ‘Gouden halve eeuw’ van de Friese cultuur: in die halve eeuw settelde het Fries, dat begin 1900 nog een volkstaal was, zich stevig als cultuurtaal, en dat ging gepaard met (en hing ook samen met) een opbloei van de Friestalige cultuur.
De taal is in die periode zowel geïnstitutionaliseerd als geïntellectualiseerd en met name aan die intellectualisering hebben de uitgevers van nature een belangrijke bijdrage geleverd. In die halve eeuw verschenen zo’n 3500 Friese titels op een breed gebied, waaronder kinderboeken, prentenboekjes, literatuur, biografieën, studies over ruimtevaart, sportboeken, handboeken op allerlei gebied, reisgidsen en kookboeken.
Het boek gaat dieper in op de manier waarop uitgevers functioneren in een bepaalde ontwikkelingsfase van een minderheidstaal. En niet alleen dat, maar ook hoe ze functioneerden te midden van andere instituties, zoals emancipatiebewegingen, (semi-)overheidsorganen en culturele en wetenschappelijke instellingen. Waar uitgevers in grotere taalgebieden vooral te maken hebben met de markt en in mindere mate met die institutionele achtergrond, is die verhouding in een kleinschalige omgeving geheel anders.
Tegelijk biedt dit boek ook een kijkje in de uitgeverskeuken. Dat gebeurt aan de hand van de opeenvolgende uitgevers Kamminga (ruwweg voor 1945) en Laverman (ruwweg ná 1945). Daarbij staat Kamminga model voor de aanvankelijk vernieuwingsdrang en latere politisering van het interbellum en Laverman voor de consolidatie van de naoorlogse periode. Ook de andere Friese uitgevers komen overigens uitgebreid aan bod.
Louw Dijkstra (1958) studeerde theologie, maar koos na zijn afstuderen voor een loopbaan in het boekenvak. Na een aantal jaren als vertaler voor verschillende Nederlandse uitgevers te hebben gewerkt, richtte hij in 1994 samen met een compagnon een eigen Friese uitgeverij op. Op dit moment is hij uitgever van Wijdemeer.





